Oorlogsmuseum
Audiogids Thailand-Burma Railway Centre
Een museum van twee verdiepingen tegenover de oorlogsbegraafplaats van Kanchanaburi maakt van 415 kilometer Dodenspoorlijn een maquette, een wagon en een muur van verroeste spijkers.
- 75 min audio
- Dodenspoorlijn
Het Thailand-Burma Railway Centre werd tussen maart 2001 en januari 2003 gebouwd op een perceel naast de oorlogsbegraafplaats en geopend op 20 januari 2003. Het werd opgericht door Rod Beattie, een burgerlijk ingenieur uit Queensland die in 1990 als adviseur in de edelsteenindustrie naar Thailand kwam en jarenlang het tracé van de spoorlijn in kaart bracht. Meer dan 300.000 Australische dollar aan giften van veteranen, families en particulieren betaalde een gebouw zonder sponsoring door overheden of grote bedrijven.
De route omvat een rijstwagon waar men doorheen loopt, een topografische maquette van 9 meter met led-lampjes op elk werkkamp en een histogram van dwarsliggers waarin elke spijker vijfhonderd doden voorstelt. Het museum bewaart ook een database waarmee families van meer dan 15.000 omgekomen geallieerden uitzoeken waar de hunnen stierven, en een cafetaria met uitzicht op de grafstenen van 6.982 geallieerde graven.
Hoogtepunten
- Rijstwagon — replica van de goederenwagons die krijgsgevangenen uit Singapore en Maleisië vervoerden
- Topografische maquette van 9 meter op schaal 1:50.000 met led-lampjes bij elk werkkamp
- Muur van dwarsliggers — elke spijker staat voor vijfhonderd doden
- Bijna complete AZON-bom, het eerste geleide wapen ter wereld
- Cafetaria met panoramisch uitzicht op de oorlogsbegraafplaats van Kanchanaburi
Wat te zien is in het Thailand-Burma Railway Centre en waarom zijn geschiedenis ertoe doet: het crèmekleurige gebouw aan Jaokannun Road, aan de westkant van de oorlogsbegraafplaats van Kanchanaburi, legt uit hoe, waarom en tegen welke prijs de spoorlijn tussen Thailand en Birma werd aangelegd. Het werk begon in juni 1942 en de twee helften van het spoor werden in oktober 1943 verbonden, na slechts zestien maanden. Meer dan 60.000 geallieerde krijgsgevangenen en zo’n 240.000 Aziatische arbeiders werden ertoe gedwongen. De volledige ervaring is het museum te doorlopen met de EarGuide-audiogids, die elke zaal verbindt met de verhalen van wie de lijn meemaakte. Het verhaal over de lijn speelt zich af op de Brug over de River Kwai, en aan de overkant strekt zich de Oorlogsbegraafplaats van Kanchanaburi uit, met de graven van de krijgsgevangenen over wie het museum vertelt.
Een particulier museum met uitzicht op de graven
Thailand-Burma Railway Centre
Samenvatting van deze stop
Het museum bezet een nieuw opgetrokken gebouw van twee verdiepingen, zonder verband met een eerdere kazerne. Sommige Engelse en Thaise encyclopedieën beschrijven het als het voormalige hoofdkwartier van het Japanse Keizerlijke Leger, gebouwd door krijgsgevangenen, maar het oprichtingsdossier van het project documenteert een nieuwbouw tussen maart 2001 en januari 2003. Die discrepantie hoort bij de geschiedenis van de plek.
Achter het project staan een man en een manier om het te betalen. Rod Beattie, burgerlijk ingenieur uit Queensland, kwam in 1990 voor de edelsteenhandel, vestigde zich in Kanchanaburi en besteedde sinds 1994 zijn vrije tijd aan het in kaart brengen van het spoor en het verzamelen van documenten, terwijl hij toezicht hield op de oorlogsbegraafplaatsen van het Gemenebest in de stad. De kosten, ruim boven de 300.000 Australische dollar, kwamen van veteranen, families, particulieren, een Thaise weldoener en de initiatiefnemers zelf.
Het persoonlijkste detail over wie deze ingenieur was en waarom hij bleef, wordt bewaard voor de vertelling ter plekke.
De rijstwagon waarin mannen reisden
Houten brug en rijstwagon
Samenvatting van deze stop
Het bezoek begint onder een replica van een houten brug, gebouwd met dezelfde technieken als de bruggen van de spoorlijn. Daarna loopt men door een replica van de goederenwagons die rice wagons werden genoemd, de wagons waarin de krijgsgevangenen uit Singapore en Maleisië naar Thailand werden vervoerd. Binnen markeert een elektronische glasvezelkaart de routes van die transporten.
De context komt van het spoor zelf: 415 kilometer, tegelijk begonnen vanuit Thanbyuzayat in Birma en vanuit Nong Pladuk in Thailand, onder leiding van het 5e en 9e spoorwegregiment van het Japanse Keizerlijke Leger. De smalle ruimte van de wagon dient als voorportaal van die schaal.
Negen meter voor 415 kilometer oerwoud
Topografische maquette van de Kwae-vallei
Samenvatting van deze stop
In de geografiegalerij tekent een topografische maquette van 9 meter lang op schaal 1:50.000 met glasvezel het verloop van het spoor door de vallei van de rivier de Kwae. Knoppen laten led-lampjes branden die de bevestigde ligging van alle werkkampen aanduiden. Ernaast staan een maquette van een schragenbrug en relikwieën van het spoor.
De maquette laat ook het latere lot van de lijn zien. Omstreeks 1946-1947 werden het spoor en het rollend materieel verkocht aan de Thaise regering, en eind jaren vijftig heropende Thailand het traject tussen Nong Pladuk en Nam Tok, dat nog in gebruik is. De rest van het tracé werd door de jungle verzwolgen.
Halverwege de jaren negentig maakten Rod Beattie en zijn vrouw Thuy, acht maanden zwanger, met kapmessen en kettingzagen 4,5 km spoorbed vrij in de insnijding van Hellfire Pass. De conservator toetste aan zijn database van 105.000 registraties van krijgsgevangenen de bewering, zelfs in sommige boeken herhaald, dat Japanse bewakers daar 68 Australische krijgsgevangenen hadden gedood, en concludeerde dat die niet standhoudt in de registers. Het is een episode van betwiste geschiedenis: het museum corrigeert zijn eigen mythen kaart voor kaart.
Een spijker voor elke vijfhonderd doden
Muur van dwarsliggers en spijkers
Samenvatting van deze stop
In de galerij over de dodentol worden de aantallen per herkomst getoond in een histogram van oude spoorwegdwarsliggers bezaaid met spoorspijkers. Elke spijker staat voor vijfhonderd doden. Meer dan 13.000 krijgsgevangenen stierven tussen eind 1942 en eind 1945, en het aantal doden onder de Aziatische arbeiders ligt rond de 100.000, al verschillen de cijfers per bron: het Australian War Memorial en andere profielen hanteren iets andere totalen.
De periode die speedo wordt genoemd, in 1943, is het zwaarste punt. De druk uit Tokio om op tijd klaar te zijn dwong tot bijna ononderbroken handenarbeid, met een record van 62 werkuren in 72, en de samenloop met de eerste choleraoutbreak bracht de sterfte op zijn hoogtepunt. Zelfs de exacte data staan niet vast: de website van het Centre plaatst het op de ene pagina van juli tot oktober 1943 en op een andere van maart tot september.
Een verhaal uit de collectie gaat over het kamp Tonchan South, nu zonder één bord. Daar werden volgens het gedocumenteerde verhaal een kwartiermeester en drie andere mannen afgeranseld door een bewaker met de bijnaam de Tijger, omdat ze een deel van hun rantsoen hadden afgestaan aan mannen van de F- en H-Force. De straf zegt evenveel over de bewaker als over de mannen die, stervend van de honger, nog hun eten deelden.
De bom, de koffie en de grafstenen
Cafetaria van het Thailand-Burma Railway Centre
Samenvatting van deze stop
Op de eerste verdieping toont de galerij over het einde van de spoorlijn een bijna complete AZON-bom, het eerste geleide wapen ter wereld, gebruikt om bruggen van de lijn te vernietigen. Daarbij horen een door bommen beschadigd stuk rail, geborgen uit het tracé, en een maquette van 3 meter diep van een in de nacht gegraven loopgraaf.
Het Centre houdt bovendien een database bij van de militairen van alle nationaliteiten die als krijgsgevangene bij het werk omkwamen, samengesteld met hulp van Nederlandse, Australische en Britse organisaties. Ze dient om antwoorden te geven aan familieleden van meer dan 15.000 omgekomen geallieerden: de dochter van soldaat Jack McCarthy hoorde zo voor het eerst waar haar vader was gestorven, op 21 juli 1943.
De cafetaria, met meer dan 50 plaatsen, heeft grote ramen met panoramisch uitzicht op de tuinen van de oorlogsbegraafplaats en haar 6.982 geallieerde graven. Oud-krijgsgevangenen en hun families gebruiken haar als toevluchtsoord tijdens hun bedevaarten. Volgens gedocumenteerde overleveringen reisde in november 2007 een dochter van een krijgsgevangene, Heather, met het handtekeningenboekje van haar vader, Donald William Ford, en het museum spoorde op die begraafplaats het graf op van Fords beste vriend, auteur van een van de gedichten in het boekje. De familie liet er een kopie achter.